Uggs

UGGS en halal – De lijdensweg van Australische schapen

Australië is de grootste wolproducent van de wereld. Op de gigantische schapenfarms aldaar lopen, in kuddes van duizenden stuks, in totaal ongeveer 150 miljoen schapen rond.

Australische schapen - UGGS

Foto: Wikimedia Commons

Het leven van een schaap gaat daar niet over rozen. In de eerste plaats zijn de kuddes zo groot dat de farmers niet in staat zijn om het welzijn van individuele dieren in de gaten te houden, zo zij dit al zouden nastreven. Maar op deze factory farms, fabrieksboerderijen, wordt de dieren vrijwel al hun natuurlijke behoeftes ontzegd. Ze leven onder erbarmelijke omstandigheden: op gigantische, maar toch overbevolkte, modderige percelen, waar ze onmogelijk een kudde kunnen vormen en waardoor er voortdurend gevechten gaande zijn. Ziektes en parasieten komen veelvuldig voor, omdat de farmers liever geen geld uitgeven aan dierenartsen – een bepaald percentage uitval accepteren is goedkoper.

Als de lammetjes een paar dagen oud zijn worden ze onverdoofd gecastreerd, worden de staartjes afgesneden en worden ze geoormerkt. Vaak worden ze ook gebrandmerkt, wat op hun neus grote derdegraads verbrandingen veroorzaakt. Hun lippen of oren kunnen worden getatoeëerd.

Als de schapen moeten worden geschoren, worden ze in kleinere hokken verzameld. De gebruikte schapen hebben, vooral aan hun achterkant, dikke, rimpelige huidrollen, die meestal nattig zijn vanwege de urine, en waar vliegen eieren in leggen. De farmers snijden, na het scheren, van de achterkant alle huid weg, om de vliegen kwijt te raken en een vlakke wond achter te laten, waar de vliegen geen eieren meer in kunnen leggen. Wel raakt de wond vaak geïnfecteerd.

Zelfs de Australische dierenbescherming heeft hierover gezegd dat deze behandeling (“mulesing”) weliswaar buitengewoon pijnlijk voor het dier is, maar dat het alternatief (de ontstane maden gaan zich letterlijk door het schaap heen vreten) voor het schaap nog veel erger is. Zeer dubieus: de zware, bloederige wonden trekken nog steeds veel vliegen aan en de uitval is, ondanks het “mulesingen”, nog steeds zeer hoog. Het is zeer wel mogelijk om de “flystrike” te voorkomen door een goed dieet, regelmatig afspoelen en door rassen te gebruiken die beter tegen het hete Australische klimaat bestand zijn. Momenteel wordt als ras namelijk in hoofdzaak het merino-schaap gebruikt, dat deze rimpelige huid heeft, met hogere wolopbrengst. Maar ook hier gelden alleen financiële overwegingen…

Mulesing

Mulesing | Foto via PETA.org

Elk jaar sterven honderden lammetjes nog voordat ze acht weken oud zijn, en vele duizenden volwassen schapen sterven elk jaar aan ziektes, gebrek aan onderdak, en verwaarlozing.

Als de schapen, na twee tot vier jaar, niet langer in staat zijn om wol te produceren, gaan ze naar de slacht. Ze worden met geweld op dubbeldeks vrachtwagens geladen en naar het abattoir gereden. Zonder voedsel, water en frisse lucht gaan er ieder jaar tijdens deze langdurige wegtransporten – soms duurt een rit veertien dagen – in de hitte duizenden schapen dood.

De gruwelijke details van deze transporten zijn te lezen op Livetransportshame. Ook zijn hierop statistieken over de sterftecijfers te lezen.

Waar dient dit voor?

Australië exporteert zijn schapen naar: Saoedi Arabië, Koeweit, Verenigde Arabische Emiraten, Jordanië, Oman, Bachrein, Palestina, Qatar, Egypte, Israël, Libanon, Oekraïne, Maleisië, Singapore, Mauritius, Nieuw Zeeland, Vanuatu, Brunei, China, Japan, V.S., Mexico, Argentinië, Chili en de Filippijnen.

Elk jaar worden 6,5 miljoen Australische schapen naar het Midden-Oosten en Afrika verscheept, waar ze halal geslacht worden. De dieren worden tot twee maanden lang samengepakt op multideks transportschepen, met weinig voedsel of water, bij temperaturen die boven de 40 oC kunnen komen.

Transport

Transport

Er gaan minimaal 20.000 schapen op zo’n schip; alleen het inladen duurt al 1 tot 4 dagen. Tijdens de zeereis worden dode, stervende, zieke of gewonde schapen in vermalingsmachines gegooid en de restanten worden in zee gedumpt. De omstandigheden aan boord van deze schepen tarten werkelijk elke beschrijving. Zie onderstaande foto van de schapen op het onderste dek, die zwemmen in de uitwerpselen en de urine van hun arme soortgenoten op bovengelegen dekken.

Schapen benedendeks

Schapen benedendeks

Gemiddeld 8% van de dieren overleeft deze barre tocht niet. Andere raken kreupel of krijgen de pijnlijke virusinfectie ecthyma die ook wel “scabby mouth” of “zere bekjes” (zie foto) wordt genoemd.

Ecthyma

Ecthyma | Foto via Liveexportshame.com

Als op een schip een te groot aantal gevallen van scabby mouth vóórkomt, kan het schip door de ontvanger geweigerd worden en nog langer onderweg zijn voordat het ergens anders wel wordt geaccepteerd. Hierdoor komt men soms tot een reis van twee maanden. Zo duurde de reis van de Cormo Express, in 2003 onderweg naar Saoedi Arabië met 57.000 schapen aan boord, van 5 augustus tot 24 oktober. Saoedi Arabië weigerde het schip omdat er te veel gevallen van scabby mouth aan boord waren. Na een aantal omzwervingen werd het schip uiteindelijk in Eritrea uitgeladen. De gevolgen voor de dieren laten zich raden.

Op hun bestemming aangekomen, worden de schapen door middel van stokken en hamers het schip uitgeranseld en naar hun slachtplek afgevoerd. Ook bij deze transporten komen vreselijke misstanden voor.

In september van het afgelopen jaar kwam een transportschip in Karachi aan. De ontvangers vonden dat men eerst de gevallen van scabby mouth er uit moest selecteren en vernietigen. Dit leidde tot een verschrikkelijke slachtpartij; de schapen werden doodgeslagen, een aantal werd levend verbrand, en van meer dan tienduizend schapen werd de keel afgesneden. Dit is gefilmd.

Pas op: dit zijn gruwelijke beelden van zeer ernstig dierenleedLink

Later is door autoriteiten betoogd dat men zo niet met dieren had mogen omgaan en dat dit in strijd was met de Koran.

Na de slacht

Na de slacht worden de dieren dus geconsumeerd, maar de huiden worden voor allerlei doeleinden gebruikt en meestal weer verder geëxporteerd. Van de huiden worden, meestal in China, onder andere de luxueuze bontlaarzen UGGS gemaakt. Wat begon op de zandstranden van Byron Bay door surfers die de laarzen met schapenvacht gingen dragen om tussen het surfen door hun voeten warm te houden, groeide uit tot een ware trend dat een symbool werd van een nonchalante en luxueuze levenswijze.

Vanwege het grote succes van de UGGS worden zij op grote schaal nagemaakt. Ook dit heeft grotendeels in China plaats. In China leeft echter een zeer goedkope vervanger van de schapen: de wasbeerhond. De wijze waarop deze dieren aan hun eind komen tart elke verbeelding.

Via deze link is een video daarvan te zien. Let op: ook hier is de realiteit gruwelijk en is er zeer ernstig dierenleed te zien.

Achter het dragen van UGGS zit dus zeer ernstig dierenleed verborgen. De remedie: loop er op diervriendelijke schoenen, die overal te krijgen zijn, met een hele, grote boog omheen!

Met dank aan piep

Posted in Dierenlief en -leed | Leave a comment

Ave verum corpus Désanne van Brederode

Uit de Wikipedia: De beide betekenissen van Lichaam van Christus, namelijk werkelijk lichaam (corpus verum) en mystiek lichaam (corpus mysticum) zijn nauw met elkaar verweven. Waar tot de twaalfde eeuw de eucharistie als corpus mysticum werd opgevat (en de kerkgemeenschap als corpus verum), krijgt de eucharistie in de twaalfde eeuw de benaming corpus verum, de hoogste mystieke werkelijkheid. God geeft zich aan de gelovigen; zij worden corpus mysticum wanneer zij de Eucharistie vieren. Ze ontvangen het Lichaam van Christus (de Hostie) om met het mystieke Lichaam van Christus (Kerk) verenigd te worden en verbonden te blijven.

Uit: Encyclopedie van de mystiek, fundamenten, tradities, perspectieven Otger Steggink e.a.: Kampen 2003, blz. 1021 e.v: Lijdensmystiek in de strikte zin van het woord betekent binnen de christelijke mystiek de genadevolle ervaring van het geheim van de verlossing door Christus. Zij kan beleefd worden als objectief ‘meelijden’ met zijn psychisch of lichamelijk lijden, of ook als subjectief en affectief doorleefd ‘mede-lijden’ met de persoon van Jezus. In bredere betekenis omvat lijdensmystiek alle vormen van verering en navolging van het kruis. ……………. Het zalige aanschouwen van de verheerlijkte Christus is, aan tijd en ruimte voorbij, in ons ‘medelijden’ vertegenwoordigd en als verheerlijkt Hoofd verleent Christus aan het lijden van zijn leden zegenrijke kracht ‘ten behoeve van het lichaam van Christus.’ ( De apostel Paulus in de brief aan de Colossenzen: 1,24)

Uit de brief van Paulus aan de gemeente van Korinthe: 1 Korintiërs 12 vers 12 – 27: Een lichaam is een eenheid die uit vele delen bestaat; ondanks hun veelheid vormen al die delen samen één lichaam. Zo is het ook met het lichaam van Christus. 13 Wij zijn allen gedoopt in één Geest en zijn daardoor één lichaam geworden, wij zijn allen van één Geest doordrenkt, of we nu Joden of Grieken zijn, of we nu slaven of vrije mensen zijn. 14 Immers, een lichaam bestaat niet uit één deel, maar uit vele. 15 Als de voet zou zeggen: ‘Ik ben geen hand, dus ik hoor niet bij het lichaam,’ hoort hij er dan werkelijk niet bij? 16 En als het oor zou zeggen: ‘Ik ben geen oog, dus ik hoor niet bij het lichaam,’ hoort het er dan werkelijk niet bij? 17 Als het hele lichaam oog zou zijn, waarmee zou het dan kunnen horen? Als het hele lichaam oor zou zijn, waarmee zou het dan kunnen ruiken? 18 God heeft nu eenmaal alle lichaamsdelen hun eigen plaats gegeven, precies zoals hij dat wilde. 19 Als ze met elkaar slechts één lichaamsdeel zouden vormen, zou dat dan een lichaam zijn? 20 Het is juist zo dat er een groot aantal delen is en dat die met elkaar één lichaam vormen. 21 Het oog kan niet tegen de hand zeggen: ‘Ik heb je niet nodig,’ en het hoofd kan dat evenmin tegen de voeten zeggen. 22 Integendeel, juist die delen van het lichaam die het zwakst lijken zijn het meest noodzakelijk. 23 De delen van ons lichaam waarvoor we ons schamen en die we liever bedekken, behandelen we zorgvuldiger en met meer respect 24 dan die waarvoor we ons niet schamen. Die hebben dat niet nodig. God heeft ons lichaam zo samengesteld dat de delen die het nodig hebben ook zorgvuldiger behandeld worden, 25 zodat het lichaam niet zijn samenhang verliest, maar alle delen elkaar met dezelfde zorg omringen. 26 Wanneer één lichaamsdeel pijn lijdt, lijden alle andere mee; wanneer één lichaamsdeel met respect behandeld wordt, delen alle andere in die vreugde. 27 Welnu, u bent het lichaam van Christus en ieder van u maakt daar deel van uit.

Op de achterflap: De lezer maakt in Ave Verum Corpus deel uit van een spel dat in de loop van de roman steeds duisterder wordt, naarmate ervaringen en fantasie, mystiek en erotiek zich verstrengelen.

De roman heeft bij het verschijnen in 1994 veel stof doen opwaaien. Désanne (*1970) schreef dit debuut tijdens haar studie filosofie en dat is goed te merken. Het boek, dat mij veel heeft gedaan en nog doet, heeft dus heel veel indruk op mij en niet alleen op mij gemaakt. Ik ben er nog dagelijks mee bezig.

Het verhaal

Kort gezegd komt het verhaal erop neer dat Lucia (let op de naam: Licht), een eerstejaars studente filosofie op zoek gaat naar de echte liefde: lichamelijk, platonisch én mystiek. Het tweede in de vorm van een –puberaal – aanbeden professor en –  minder puberaal – haar vader, broer en haar huisgenoot en het laatste in de vorm van de lijdende Christus.

Stijl

Van Brederode schrijft zeer beeldend, onder andere over seks, samen met het geloof de grote thema’s in het boek: haar eerste keer; haar wisselende contacten met mannen en één vrouw. Ze geeft zich zelfs, min of meer gedwongen, over aan bestialiteit in de vorm van een oude bok. Ook zelfseks wordt niet geschuwd. Kortom: de hele roman is doordrenkt van lichamelijkheid uitmondend in een fantastische apotheose waarin een volkomen overgave van Lucia aan Christus, althans aan zijn corpus aan het kruis, beschreven wordt. Ze versmelt als het ware met de Christus, een passage die doet denken aan de teksten van de middeleeuwse mystica Hadewych.

De schrijfster hanteert vele stijlfiguren en daarmee komt het geheel rommelig over maar het is ook een manier om de lezer bij de les te houden. Het begint al met een brief aan de lezer. In deze brief richt ze zich rechtstreeks tot de lezer en je voelt je meteen betrokken bij het verhaal. Daarbij maakt ze het heel persoonlijk. Ze zegt bijvoorbeeld:  “Je hebt mijn lichaam in handen …….. Wat tussen ons gebeuren zal, is echt alleen van ons.” Het boek als lichaam, als persoonlijkheid. Daarmee hebben we meteen de eerste metafoor en personificatie te pakken. Veel gehanteerde stijlvormen en voorkomende stijlfiguren in het boek zijn: brieven, metaforen, aforismen, personificaties, beschouwingen, directe rede, flashbacks en droombeelden. Daardoor word je soms op het verkeerde been gezet en vraag je je als lezer regelmatig af tegen wie de schrijfster het nu eigenlijk heeft. Maar, zoals gezegd, dit houdt de lezer bij de les. Het geheel doet denken aan de Max Havelaar van Multatuli. Ook in dit boek worden meerdere stijlfiguren gebruikt en lopen verhaallijnen door elkaar.

Het boek is in de ik-vorm geschreven en Lucia, zou de personificatie van de schrijfster genoemd kunnen worden. Toch zou ik het geen autobiografische roman willen noemen, eerder een roman met autobiografische kenmerken. In het boek is er sprake van twee ikken: Désanne van Brederode bijvoorbeeld in de vorm van de brievenschrijfster en Lucia. De schrijfster speelt een spel met die twee ikken door niet altijd even duidelijk te zijn wie van de twee aan het woord is.

Opbouw

Désanne van Brederode valt met de deur in huis door in een brief de lezer rechtstreeks aan te spreken en ze doet dat op een dusdanige manier dat je het idee hebt dat zij het woord rechtstreeks tot jou richt. Er zijn drie van die brieven zodat ze de lezer drie keer aanspreekt (zie voor nadere explicatie het geschrevene onder het kopje symboliek). De drie brieven hebben telkens de titel: “brief aan een onbekende.” Er is nog een vierde brief, die getiteld is: “Brief aan een oude bekende.” Deze brief is geschreven nadat de queeste volbracht is (om maar een gepast, gezien de thematiek,  Bijbels citaat te hanteren).  De onbekende is een oude vriend geworden, Lucia, de hoofdpersoon heeft zich tot Jezus en het Katholicisme bekeerd.

Volgens Willem Elsschot moet een verhaal niet een lineair verteld verhaal zijn maar moet het kronkelwegen en zijpaden bewandelen. Daar heeft Désanne van Brederode zich prima aan gehouden. Het verhaal is niet lineair en daarmee verre van chronologisch. Ze kan in eenzelfde alinea van het heden terug gaan naar haar meisjestijd om vervolgen iets uit haar pubertijd op te duikelen om daarna van scene te wisselen zodat je je als lezer in één keer op een hele andere locatie bevindt.

Er zitten twee scharnierpunten in het boek. De eerste is haar overgang van meisje naar vrouw tijdens haar vakantie met Anne, haar middelbare-harts(school)vriendin: een werkweek spiritualiteit, een nieuw-age-week. Tussen zweethut en workshops in wordt Lucia ontmaagd en dat is de start van een nieuw leven dat ze als beginnend studente psychologie gaat leiden. De middelbare school is voorbij, nu begint het echte leven in de grote (boze) stad. Het tweede scharnierpunt is wanneer ze seks heeft met een oude bok. Tijdens de seks sterft de bok en samen met Betty, haar vriendin met wie ze kort daarvoor een lesbische ervaring had, begraven ze de bok. Ik zie deze scène als een metafoor. Nu is ze klaar voor de aanbidding van het enig ware corpus: het lichaam van Christus. En de toewending tot de Heilige Moederkerk, de Katholieke Kerk en daarmee een toewending tot het Katholieke geloof. Satan, de duivel, wordt in veel verhalen en films als een bok afgebeeld: bokkenpoten; hoorns en een sik. Door zich over te geven aan de bok, geeft ze zich aan Satan maar door het sterven van de bok, overwint ze die en daarmee de duistere machten en de duisternis in zichzelf en is ze klaar voor waar ze al die tijd naar smachtte namelijk de toewijding en overgave aan het geloof, met name aan Christus. Deze overgave aan het geloof loopt parallel met Désannes eigen leven. Tijdens haar studie vond ze het geloof terug dat ze in haar pubertijd min of meer had verloren. Zo is deze roman ook te beschouwen als ‘een coming-of- age’ roman.

Symboliek en thematiek

Het getal drie speelt een grote rol en dat is geen toeval. Drie is een heilig getal. Het staat voor de heilige drie-eenheid: God de vader; God de zoon en God de Heilige Geest; het heilig huisgezin: Maria; Jozef en Jezus; het staat voor de verzoeking van Christus in de woestijn door de duivel; het staat voor de drievoudige loochening van Petrus voor de haan kraaide en zo kan ik nog wel even doorgaan.

Een paar grote thema’s, thema’s die er in een mensenleven toe doen, zijn prominent aanwezig.

Op de eerste plaats het geloof en de mystiek. Het is voor een jongvolwassene, ook in die tijd, niet vanzelfsprekend dat je nog gelooft of weer gaat geloven. Lucia is gedurende de hele roman bezig met haar geloof en uiteindelijk vind ze dat geloof, in een scène die bol staat van mystiek en lichamelijkheid, terug. Ook zijn er veel verwijzingen naar de Bijbel en dan vooral naar de apostel Paulus zoals in de volgende passage: “Al ware het dat ik met de tongen der mensen en der engelen sprak, maar ik had de wiskunde niet (wiskunde en filosofie gaan heel goed samen: de eerste wiskundigen waren op de eerste plaats filosofen zoals de grote wijsgeer Pythagoras), ik ware schallend koper of een rinkelend cimbaal… .” Dat gaat zo nog even door. Deze passage doet natuurlijk denken aan de geweldige passage uit de eerste Korintiërsbrief van Paulus, hoofdstuk 13, de verzen 1 e.v.: “Al ware het, dat ik met de tongen der mensen en der engelen sprak, maar had de liefde niet, ik ware schallend koper of een rinkelende cimbaal……. .” (NBG-vertaling, 1951), waarin de Liefde wordt bezongen en vaak tijdens huwelijksdiensten wordt voorgelezen. De eerder vermelde brieven verwijzen naar de apostel Paulus, die een vermaard brievenschrijver was. De hoofdstuktitels verwijzen voor een groot deel naar Kerkelijke of Bijbelse thema’s: Het sacrament, De bevrijding; De belijdenis en De verleiding.

Daarmee zijn we op het tweede grote thema aanbeland namelijk de Liefde. Het gaat hier zowel om de lichamelijke, en de daarmee gepaard gaande seksualiteit, als de platonische liefde. De protagoniste is in het boek voortdurend de grenzen van het betamelijke aan het aftasten. Ze wordt ontmaagd en heeft zowel heteroseksuele als homoseksuele ervaringen. Ze geeft zich zelfs over aan bestialiteit. Haar liefde voor de lijdende Christus, wordt eveneens fysiek beleefd. Als ze zich tot Christus heeft gewend, is de verhouding met Richard, haar vaste vriend over. Gedurende het proces van toewending naar Christus neemt ze steeds meer afstand van hem en hoewel hij de vrije liefde propageert, wordt hij juist dwingender, hij doet haar zelfs een huwelijksaanzoek.

Ze heeft een platonische verhouding met Bob, haar huisgenoot hoewel ze één keer zich in al haar fysieke schoonheid aan hem heeft laten zien. Verder heeft ze een groot hart voor haar vader en haar broer. Die band tussen dochter en vader wordt naarmate de roman vordert, steeds hechter. In de geest van de symboliek zou je hier kunnen spreken van Vader, zoon en geest waarbij Lucia die filosofie studeert en snakt naar een geestelijke eenwording met Christus, de geest, de Sofia of wijsheid belichaamt. Verder krijgt ze nog een verhouding (heel puberaal) met Dick Oudegeest (let op de naamgeving), haar professor, die na zijn scheiding wel meer in haar wil zien dan alleen maar een goede vriendin. Dat ziet zij niet zo zitten.

Het derde grote thema in het boek is de filosofie. Filosofen worden aangehaald en er wordt voortdurend met filosofie gekoketteerd en met filosofietjes gestrooid. Eén hoofdstuk verwijst naar Hegel, één van de grote filosofen uit de vorige eeuw: Het Hegelspel.

Andere thema’s zijn alcohol en roken. Alcohol stroomt overvloedig en ze gaat in een dronken bui naar bed met Betty. De alcoholische buien gaan over. Het roken niet. Er wordt veel gerookt. Rook is ook een godsdienstig thema. In met name het Oude Testament zijn rook- en brandoffers niet van de lucht. De eerste misdaad in de geschiedenis van de mensheid wordt door Kaïn gepleegd die door jaloezie gedreven omdat God zijn brandoffer niet en die van Abel wel aanvaardde zijn broer Abel doodsloeg. In de Katholieke Kerk wordt veel met wierook gewerkt.

Tenslotte

Hét overkoepelende thema in deze grootse roman van Désanne van  Brederode is  Passie. Passie als vervulling van haar lichaam: ik citeer: “Passie als lust. Passie als hartstocht. Passie als liefde. Passie als lijden.”  

Deze Passie culmineert in één groots mystiek gebeuren waarin Lucia tijdens de eucharistieviering, onder de communie, lichamelijk én geestelijk, in tegenstelling tot het even daarvoor beleefde met Satan, in mystieke én lichamelijke omhelzing én vervoering één wordt met het aanbeden lichaam van de Lijdende Christus, het corpus, aan het kruis: de twee worden één, zodat er waarlijk gezegd kan worden: “Ave verum corpus.”

Désanne van Brederode: Ave corpus verum, Gegroet Waarlijk Lichaam, Uitgever: Querido, eerste druk: 1994, Ik heb de derde druk (1997) gelezen (Singelpocket, antiquarisch aangeschaft). Aantal bladzijden: 243

Posted in Boeken fictie | 4 Comments

Het Dwaallicht Willem Elsschot

Het Dwaallicht van Willem Elsschot

In ieder mens schuilt een Janus. Laarmans is daar het overtuigend bewijs van.

Het Dwaallicht verscheen voor het eerst in april 1946 in: “Nieuw Tijdschrift.” Het was het laatste werk dat de begenadigd schrijver schreef. Ik heb de novelle gelezen in: Verzameld werk,  Amsterdam 1976, blz. 739 t.m. 772. Het werk is opgedragen aan Paul en Jan Veen.

 

Gezien de geringe omvang van het werk is het in één avondje makkelijk te lezen. Dat neemt niet weg dat dit werk  grote literaire betekenis heeft.   Alphons de Ridder (1882-1960), pseudoniem: Willem Elsschot, kon schrijven.  Hij heeft een klein maar fijn  oeuvre achtergelaten:  het verzameld werk kan in één band (800 blz.);  dat betreft dan alleen bellettrie en poëzie. Zijn totaal verzameld werk is uitgeven in zeven delen:  Volledig Werk (2001-2003).

 

Het Dwaallicht was het laatste dat hij heeft geschreven. Het handelt over ene meneer Laarmans, deze figuur acteerde ook in: “Lijmen” (1924) waarin hij met Boorman een duo vormt dat enigszins aan Faust en Mefisto doet denken. Daarna zal hij het toneel niet meer verlaten en speelt in al Elsschots andere boeken ook een rol. Laarmans is voor de lezers van Elsschot dus een vertrouwde figuur. Als acteur of als toeschouwer wordt hij in het vervolg door de auteur gebruikt om de handeling te beschrijven. Elsschot verschaft zich op deze manier een tweede pseudoniem en een nieuwe literaire persoonlijkheid, die zich onderscheidt van de auteur van de eerste romans: de onpersoonlijke verteller uit Villa des Roses (1913);  Een Ontgoocheling (1914) en De Verlossing (1916). Van Lijmen tot Het Dwaallicht is ieder boek van Elsschot een schakel in de geschiedenis van Laarmans, een geschiedenis die bij nadere beschouwing niets anders blijkt te zijn dan de min of meer verhulde autobiografie van de schrijver. Al deze boeken zijn dan ook in de ik-vorm geschreven. Laarmans als alter-ego van Elsschot handelt denkt en spreekt als zijn creator maar Elsschot kan zich er altijd op beroepen dat het slechts een romanfiguur betreft en gaat dus vrijuit.

 

Deze meneer Laarmans neemt op een druilerige avond drie, naar hij aanneemt Indische, later blijken het Afghanen te zijn, zeelui (niet zo gek in een wereldhaven) op sleeptouw. In een enkele zin zet Elsschot een hele situatie neer:  “Een ellendige Novemberavond, met een motregen die de dappersten van de straat veegt.” Dit is alles op het gebied van decor en couleur locale, en het is ook voldoende om de atmosfeer te scheppen van een naargeestige herfst, van natte straten in een noordelijke stad onder het licht van de straatlantarens.

 

De drie vreemdelingen, Elsschot heeft het vertederend over zwartjes – zie hoe men ruim een halve eeuw geleden over deze mensen dacht (is het nu veel beter??), hebben ene Maria van Dam ontmoet. Ze woont in de Kloosterstraat – een straat die in De komst van Joachim Stiller, van Hubert Lampo (ook al zo’n geweldig woordkunstenaar, tijd- en stadgenoot van De Ridder) – een belangrijke rol speelt (toeval of niet?). Wat volgt is een bizarre tocht door nachtelijk Antwerpen. Maria van Dam blijft spoorloos en uiteindelijk gaan de drie zeelui  onverrichter zake terug naar hun schip. Laarmans zet zijn queeste voort en het eindigt zonder een spoor van Maria met een fantastische epiloog, eigenlijk zijn het er twee want na zijn mislukte zoektocht volgt een innerlijke monoloog.

 

Daar gaat het bij Elsschot om en niet eens zozeer om het verhaal. Het verhaal staat in dienst van de epiloog. Dat is het grote slotakkoord in al het werk van deze auteur. Het verhaal kronkelt er als het ware naar toe want het mag nooit in een rechte lijn. “Het tragische,” schrijft Elsschot “is een kwestie van intensiteit, van maat en harmonie, van rustpunten, een afwisseling van gejubel met lento’s en gongslagen, van eenvoud en oprechtheid met sardonisch grijnzen.” Dus: onverwachte wendingen moeten het verhaal drama en spanning blijven geven. Zo ook in deze novelle die verre van prozaïsch begint: een brave huisvader ontmoet na zijn werk op weg naar huis drie zeelieden die hij tevergeefs op sleeptouw neemt bij het zoeken van een meisje. Nu ontwikkelt zich een drietal tegenstellingen: de eerste is de tegenstelling tussen Oost en West. Dat is echter maar schijn want in de drie zeelui herkent Laarmans veel van zichzelf. Misschien zijn ze wel een alter-ego van hem. De tweede is de tegenstelling tussen de twee persoonlijkheden van Elsschot zelf: namelijk: Elsschot (Laarmans) en Laarmans. Het wordt nog ingewikkelder omdat Elsschot een pseudoniem is. Je bent bijna geneigd te zeggen: “Wil de echte Elsschot opstaan?” En het spelletje Wie van de drie moest nog bedacht worden.  Elsschot pelt niet de ui, het is eerder het Droste- of Babushka-effect: de verteller in de hoofdpersoon en die twee weer in de auteur.

 

De twee Laarmansen bevechten elkaar van de eerste tot de laatste bladzijde. Die tegenstelling leidt tot een innerlijke woordenwisseling.  Iedere stap van de ene wordt geremd door de andere en omgekeerd. Voer voor psychologen; Het kan alleen verklaard worden door een psychologisch dualisme. De Nederlandse scheikundige en filosoof André Klukhuhn heeft het in zijn boek Het Janussyndroom er over dat in ieder mens een Janus schuilt; Laarmans is hier het overttuigend bewijs van. De dialoog is een prominent en overtuigend gehanteerd stijlicoon in deze novelle.

 

Het derde contrast tenslotte wordt geboden door de beschikkingen van het noodlot dat de mannen ogenschijnlijk dichter bij hun doel brengt, maar hen er in werkelijkheid van verwijdert. Maria van Dam, de schone onbekende, blijft verborgen in het verblindende licht van het Ideaal. Ook de lezer ziet tevergeefs naar haar uit: het lot heeft voor de mens slechts teleurstelling en berusting te bieden. Overigens slooft Laarmans zich enorm uit om deze ongrijpbare vrouw te vinden. Wij zien hoe hij op een miezerige novemberavond door de stegen en sloppen van het oude Antwerpen dwaalt (hoofdstuk 2), hoe hij op zijn tocht tweemaal schipbreuk lijdt (hoofdstuk 3 en 5) met als gevolg dat zijn metgezellen de speurtocht opgeven, en hoe hij tenslotte een gesprek met hen begint over de grote gemeenplaatsen van het mensdom: de liefde, de godsdienst, de politiek en het huwelijk (hoofdstuk 6). In werkelijkheid hebben al deze wederwaardigheden slechts ten doel de bevrediging van een egoïstisch verlangen uit te stellen, een verlangen dat met de schijnbare edelmoedigheid in tegenspraak is en dat Laarmans achtervolgt sedert hij van het bestaan van Maria heeft vernomen. Want voor zichzelf verlangt hij ook een aandeel in de buit … In de epiloog trekt hij er alleen op uit om de mooie Maria te zoeken, maar na een laatste innerlijke dialoog geeft hij – voorlopig – zijn pogingen op.

 

In dit kleine maar o zo fijne verhaal valt dus heel wat te genieten en daar komt nog bij dat Elsschot een stilist pur sang is. Er zijn weinigen die zo eloquent schrijven en zo goed in enkele zinnen een hele situatie neer kunnen zetten. In het Nederlands taalgebied ken ik alleen nog Kees van Kooten en zijn dochter Kim die dit kunnen en verder was er nog Hubert Lampo die die gave bezat.

 

Odijk 11-02-2013

Posted in Boeken fictie | 1 Comment